Doe eens een dagje iets anders. Wel, ga er maar eens aan staan in twintig centimeter sneeuw. Help je voor kerst TNT de drukte door, krijg je er geen sleetje bij! Ik ploegde achter mijn moeder aan de sneeuw door met een stapeltje post en glimlachte om die pensionado die voor acht eutjes (bruto!) per uur de vakantie bij elkaar aan het sparen is. Laat staan als je daarmee je huur bij elkaar moet schrapen…
Enfin. Wij deden samen een weekje de post. In een luxepositie, daarvan zijn wij ons bewust. Ik het foldermeisje, mam de bode. Verschil moet er wezen niet waar? Als foldermeisje had ik het zwaar te verduren. De eerste dag waren er geen folders, dus ik kreeg het stapeltje post van nummer 1 tot 15. STAPEL beter gezegd. Dat is ergonomisch niet verantwoord, zouden wij in bureauland stellen. Maar ‘t hoort bij het lichamelijke werk. Dus daar ging Davinck goed gemutst (met van die bonte vleugels aan de zijkant) de wijk in.
Nou. Doe maar eens een klepje van de brievenbus open terwijl je veertig centimeter post op je arm hebt liggen. Als je bukt dan glijdt het deel dat op een plastic ingepakt tijdschriftje ligt er onvermijdelijk af. Keuzes dus. Bukken of door de knieën. (In mam school de ware postbode; zij wipte met de post zelf de bus open en schoof de stapel er in een vloeiende beweging in.) Op dat moment stond ik nog keuzes te maken tussen bukken of knakken.
Maar na het eerste wijkje sloegen wij de high five, vroeg ik wat we verdiend hadden (ik zat al aan een heerlijke lunch aan zee te denken) en riep mam vrolijk: “Bijna twee euro!” Dat is nog geen biertje in Portugal. Wij trokken verder…
Gaandeweg leer je waar de brievenbussen hangen, hoe je ze opent en welke aanlooproute je neemt. Alles wat ik ervan had verwacht, was waar. De romantiek die rond het post bezorgen hangt, stroomde door mijn aderen. Als iemand post kreeg uit Amerika, dan fantaseerde ik daar een jeugdliefde bij, stak ik een rouwbrief door de bus, dan leefde ik mee met de nabestaande die ik alleen bij brievenbus kende.
Geweld was er ook. Wij liepen in ons skipak langs ijskastelen van waaruit kinderen sneeuwballen op ons gooiden. De herder die mijn grijze haren eruit wilde trekken, moest hoog springen maar kreeg ze te pakken – en het verstandelijk gehandicapte kind met een tas vol sneeuwballen die na een halve dag rondlopen goed bevroren waren, gooide die (nadat ik hem mijn vriendelijke postbodelach had geschonken) heel hard tegen mijn oor.
Nu zit ik weer warm achter mijn peecee en mis het wel en wee van de postbodé. Aan al die TNT’ers die onzeker het nieuwe jaar in gaan: de romantiek blijft bestaan doordat ik maar een weekje (en één wijkje) uw werk heb gedaan, maar voor wie dit elke dag doet geldt slechts één woord: respect.








