Categorie: ‘Frysk’

Mei de TRIEN

zondag, 14 april - 2013

“Als je niet op het Friese woord kunt komen, dan moet je het gewoon in het Nederlands zeggen ~ en ~ vooral: doorpraten.” Dat is wat ik van mijn lief leerde, toen ik vaak nog stotterend Fries sprak. Zodra ik één woord verkeerd zei (en dat eigenlijk zelf ook wel hoorde), dan begon ik te stuntelen en te hakkelen en dan kwam geen enkel woord er meer soepel uit. Credo sindsdien: doorpraten. Doorgaan. Vooral doorgaan.

Nog altijd zie ik soms wenkbrauwen omhoog schieten en dan weet ik: oeps. Dat klopte niet. Mijn Amerikaanse (schoon)zusje dat sinds jaar en dag in Nederland woont, verhaspelt ook nog wel eens een woordje ~ en ik kan niet ontkennen dat zoiets vaak best vermakelijk is ~ for instance: “Ga ik op reis zonder m’n OV-chipkaart, kom ik daar pas bij de bushalte achter. Nou, daar sta je dan voor Jan met de korte lul.” :-)

De Friese taal is een rijke taal. Voor één Nederlands woord zijn vaak meerdere Friese vertalingen. De lastigheid zit ‘m erin de juiste te pakken. Toen ik een keer tegen de buurvrouw van mijn lief zei dat ik een tijdje weg was geweest, zag ik aan haar wenkbrauwen (en glimlach) dat daar iets misging. Ik zei: “Ik bin in skoft wei west.” Maar ‘wei wêze’ (weg zijn) betekent: bewusteloos zijn, of zelfs: de pijp uit zijn. Terwijl ik toch echt in levende lijve tegenover haar stond te vertellen dat ik een weekje naar het eiland was geweest. (Ik had ‘fuort’ moeten gebruiken.)

Nu was ik afgelopen vrijdag samen met m’n collegavriendin Nynke bij de Afûk (de stichting die de Friese taal en de belangstelling voor Friesland bevordert) om te praten over onze mogelijke toetreding tot de redactie van de Moanne (een Fries cultureel opinieblad). Prachtig magazine. Ik schrijf voor de Moanne, maar nog mooier is het natuurlijk om in de redactie te zitten. Dat betekent echter WEL: Fries spreken. En aan de wenkbrauwen van mijn gesprekspartners te zien, spreek ik nog altijd geen ABF; algemeen beschaafd Fries!

Oei, en ik kan u melden: dan word je zenuwachtig. Als je ineens met de Friese heren om tafel moet. Ik had echter het aloude credo in mijn achterhoofd: gewoon doorpraten, vooral doorgaan. Dus om het ijs te breken begon ik direct maar over koetjes en kalfjes (‘ik hie ‘t wat oer kij en keal’, ik weet niet of je dat in het Fries ook zo zegt), en vertelde dat ik met de trein was gegaan. “Ik gong mei de TRIEN.”

De trien? De boerentrien? (Misschien was ik met m’n buurvrouw mee gereden…) Ik hoorde het mijzelf zeggen en ik dacht: oeps. Dat klopt niet. Trein is gewoon trein. Maar er gingen geen wenkbrauwen omhoog. Waar kwam dat door? Het feit dat ik het probeer? Ik dank jullie zeer, maar leave Ernst, Sito en Nynke: als ik tijdens onze eerste redactievergadering in mei weer zo’n flater sla, lach alsjeblieft gewoon hardop en zeg me dat TRIEN toch echt iets anders betekent. Hoe dan ook dank, dat jullie met de import-Fries willen samenwerken! Ik fyn it moai! Oant gau!

Praat mar Frysk

maandag, 17 september - 2012

“Would you care for a drink sir?” (Ze zei meneer!) De stewardess vroeg mijn jonge broer die in 1992 voor het eerst naar Amerika vloog of hij wat wilde drinken. Ze lachte er vriendelijk bij. De zenuwen van die eerste vlucht gierden nog door z’n keel (hij was 17 en vloog in z’n uppie naar zijn Amerikaanse vriendin) toen hij antwoordde: “Sainesseppeldjoes plies.” Sinaasappelsap. Sain-ess-eppel-djoes. :-) Ze begreep het, glimlachte en zette het oranje sapje voor ‘m neer. Als je plots iets gevraagd wordt in een andere taal, dan moet je snel schakelen. Je schrikt. Je wilt het goed doen.
En juist dan…

Zo verging het ook mijn goede vriend uit Alkmaar. Vier jaar geleden ontmoette ik hem op een cursus ‘Frysk foar begjinners’ (Fries voor beginners). Het klikte direct tussen ons. Ook iemand die van taal houdt. Die nota bene van Alkmaar (mijn geboortestad) naar Leeuwarden komt om Fries te leren voor zijn kleindochter die op ‘Fryske grûn’ geboren zou worden. (“Ik wil met haar in het Fries kunnen spreken en schrijven.”) Mooier kun je het niet krijgen, toch? Hij zou de trots van Fryslân moeten zijn. HET voorbeeld van de ‘buitenlander’ die moeite doet om de Friese taal te leren. Sterker: hij zou een plek naast Doutzen moeten krijgen. Hij loopt altijd met zijn button opgespeld: Praat mar Frysk!

Zijn verschijning op z’n bakfiets met gehesen zeil is net zo opvallend als de geitenwollen sokken die hij destijds òver zijn schoenen droeg… Daarmee liep hij over de ijzig besneeuwde straten in Leeuwarden om op tijd op de cursus te kunnen komen. (“Anders glij ik uit op ‘t gladde plaveisel snap je…”) Met de wind in dat zeiltje fietst hij op zijn gemak (en let wel; deze man heeft nagenoeg ALLE uitvindingen van de vorige eeuw meegekregen, dus dan weet je hoe lang hij al meegaat… van auto tot elektrische fiets als het ware) van Alkmaar naar Friesland om daar de Elfstedentocht te rijden. Het zeiltje is zijn natuurlijke trapondersteuning. Hij keek dan ook met een glimlach naar mijn elektrische bak toen ik een keer naast ‘m kwam fietsen (stel je voor: zo’n jong ding op een ‘overdreven’ fiets!) (Zijn benaming voor Davinckie’s e-bike.)

Niet gek dus, met die bakfiets en dat zeiltje, dat een verslaggever van Omrop Fryslân hem in ‘t oog kreeg en hem aanhield voor een gesprekje. Even terug naar de sainesseppeldjoes: je wordt op straat stilgehouden door een man met een microfoon die jou vraagt je verhaal te vertellen. Dat wil je dan uiteraard in het Fries doen omdat je die taal zo waardeert. Niet gek dat je een beetje zenuwachtig wordt met zo’n grote bol op een stokje vlak voor je neus. En dan (nu komt het!) zegt de verslaggever nadat je een paar zinnen hebt gezegd: “Ja, ja, okay… praat maar gewoon Nederlands.”

MIJN KLOMP BRAK. Myn klomp BRUTS. Ja, het kostte mijn vriend wat moeite om volzinnen te maken en hier en daar was de verleden tijd misschien niet zuiver, maar hij probeert het immers! Of mogen wij niet-Friezen pas Fries spreken als we het vloeiend en foutloos kunnen? Ik kan u melden: dat wordt ‘m niet! Dus, Sjouke Lousma van Omrop Fryslân, wat wordt het? Praat mar Frysk, of praat mar net?!

Ei em ko-ing toe ket mie sum sainesseppeldjoes ent ei wis al ze piepel furter a ferrie neis dee.

Harkje hjir nei it fragmint van Sjouke Lousma onder het kopje ‘Underweis’ (daar staat: luister hier naar het fragment). Het is goed verstaanbaar! Zowel voor diep-Friezen als voor niet-Friezen ;-)

Wamatsjewamatsje in Starum

maandag, 2 juli - 2012

Je zou mogen zeggen dat ik pro-Fries ben. Zoek ‘pro’ op in Van Dale (van mijn oud-leraar Nederlands moesten wij ‘Het Groot Woordenboek der Nederlandse taal zeggen’ ~ Van Dale pikte hij niet, hij werd er zelfs een beetje boos om.) Ik houd het liever kort. Als je dus ‘pro’ opzoekt, dan staat vermeld: ‘Iets dat voor iets pleit’. Ik pleit zodoende voor Friesland. En ook voor de Friese taal.

Was u mij vijftien jaar geleden tegengekomen, dan had u een andere indruk van me gekregen. Op ‘Friese verjaardagen’ ging ik dikwijls de discussie aan en stelde de vraag waarom ik als Hollander Fries zou moeten leren. U moet weten: ik verstond er geen snars van destijds. Ik volgde de helft van de gesprekken niet. De feestgangers spraken in mijn oren als de Zweedse kok in de Muppetshow. “Hurskeburskeburskeburs.” En dan op z’n Fries: Hjutskehutterdehjutskehuts. Werkelijk geen touw aan vast te knopen.

Ik zette in dat eerste studiejaar uiteindelijk maar Omrop Fryslân (de Friese omroep) aan op de achtergrond, zodat ik nog een beetje meekreeg van de taal. Het duurde lang eer ik die mij eigen had gemaakt, maar nu mag je dus wel zeggen dat ik pro-Fries ben. ‘Praat mar Frysk’. Dat is een campagne van de Provinsje Fryslân (ja, zo noemen we hier de provincie). En nu komen we weer bij die discussie van de Hollander die Friesland bezoekt en al dan niet Fries moet spreken. Want daarover ben ik nog altijd bij mijn standpunt anno 1997 gebleven.

De provincie promoot haar eigen taal. Dat kan. Dat mag ook. Maar hoe ver ga je daarin? De meeste naambordjes van dorpen zijn voor de Hollanders al onleesbaar, maar dat is nog wel ludiek. Mijn tweelingbroer hangt standaard slap achter z’n stuur als hij hier de grens overkomt en de binnenlanden inrijdt.

Nu reed ik afgelopen week naar Harlingen (op mijn fiets, dus: langzaam). Een groot bord kondigde iets aan. (Let wel: als je in de auto met 80km per uur langsrijdt, dan kun je meestal maar twee woorden goed lezen.) Staat op dat bord: ‘Wy wurkje oan’e rûnwei fan Frentsjer’. Wjutskewjutterdewjuttewuts. Dat lees je als je als Hollandse toerist dat bord passeert. Hoogstwaarschijnlijk zelfs alleen maar Wjutske. Aan de grootte van het bord is duidelijk te zien dat er echt iets aan de hand is. Maar wat? En nog sterker: waar zijn we eigenlijk? Want geloof me: Frentsjer lijkt voor een Hollander in de verste verte niet op Franeker, ook al begint het met een F.

Zit ik dit weekend na een mooie wandeling tussen Hielpen (voor de Hollander: Hindeloopen) en Starum (yes yes: dat is Stavoren) een biertje te drinken bij de sluis, kijk ik uit op een nog veeeeeel groter bord dan dat ik in Frentsjer zag. ‘Wy meitsje in twadde slûs’. Hoeveel Hollandse (en Duitse!) toeristen komen hier die haven binnenvaren? Tegen het tweede biertje waren dat er al zeker zeventien! Dat zijn toch juist de mensen die willen weten dat er een tweede sluis gemaakt wordt? Met een beetje taalgevoel kom je daar nog wel uit, maar er staat ook nog ‘Klear maaie 2013′, ze moeten ‘t dus ook nog klaar maaien in 2013. Onbegrijpelijk als je met je bootje op ‘t water zit.

Ergo: of het nu echt handig is van de provincie om in het Fries te communiceren als de ontvanger van de boodschap ook toerist kan zijn, dat vraag ik mij af. Voor zover het bootjesvolk weet ‘wamatsjewamatsje in Starum’.

Nou, maak daar maar iets moois van!

Davinckie verTAALt’t

zondag, 18 maart - 2012

“Als uw haar maar goed zit!”, zei ik tegen m’n tachtigjarige (diep)-Friese buurvrouw. “Watte?!” Dat doet ze altijd, als ik geen Fries spreek, omdat ze weet dat ik het heus wel kan. Maar sommige Nederlandse uitdrukkingen zijn niet zomaar over te zetten in het Fries. Waarschijnlijk spreek ik daardoor zo nu en dan ook Fries zoals onze ministers vaak Engels spreken. “Hello! How do you do? And, how do you do your wife?” (Deze is gejat overigens, van Maarten Rijkens die het hilarische boek schreef: ‘I always get my sin’.) Zoals iemand als reactie op mijn blog \’As we say in Dutch\’  schreef: ‘Ik hoorde laatst iemand zeggen: “They went totaly out of their roof!”‘ Jaaaah, het moge duidelijk zijn: wie spiek ferrie koet abrods. (Aan u wat u van koet maakt.)

Allemaal terzijde, hoe zegt een Fries nu ‘Als je haar maar goed zit!” ‘As dyn hier mar goed sit’, dat is letterlijk, maar iets in me zegt dat het op die manier niet klopt. Om te vermijden dat ik Fries spreek op z’n Duts-Inglis, bel ik dan altijd maar even m’n vriendin Nynke. ‘n Echte. (Fries & Friend.) Dat doe ik de laatste tijd overigens ook als ik opdrachten voor de Moanne krijg. Nynke bellen.

Op mijn site promoot ik al vanaf het begin dat ik ook Fries schrijf. De leukste Friese opdrachtgever weet mij gelukkig sindsdien te vinden. maar eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik steeds vaker mijn teksten laat vertalen door Nynke. Het zijn prachtinterviews die ik mag houden voor de Moanne. Daardoor snuif ik nog een beetje cultuur op z’n tijd. Zo interviewde ik afgelopen maand de componist die een stuk componeerde voor het Mingd Koar Grou dat dit jaar haar honderdjarig bestaan viert. Een feest werkelijk. (Dat interview!) (Het koor zelf ook trouwens.) (De muziek!) (De zang…) (Ik raad u aan: koop kaarten!)

Weer, dit terzijde. Als ik zo’n artikel nog zou vertalen, dan kost me dat een dag. Bovendien zou Nynke het dan alsnog mogen nalezen, want het is vertaald op z’n import-Fries. Letterlijk. Nederlands-Fries. Terwijl de Friese taal juist zoveel rijker is! Daarom stel ik u bij deze aan mijn collega-schrijver voor: Nynke van der Zee. Schrijft in beide talen super en is niet wars van een beetje humor. :-) Dat is fijn zaken doen.

Ik whatsappte haar (nieuw Nederlands/Engels werkwoord): ‘Hebben we in het Fries ook een uitdrukking voor ‘Als je haar maar goed zit?” Het bleef even stil aan de andere kant. Toen de smiley. ‘At jo prúkje mar kreas op e kop sit’ ;-) Hahaha! Nee hoor!’ Enfin. Die specifieke uitdrukking bestaat dus gewoon niet in ‘t Fries. Voor zover wij weten. Vandaar misschien dat de buurvrouw die mopperde over dat ze zo langzaam liep en ik de vertaalslag maakte: “‘At jo prúkje mar kreas op e kop sit!”, ze nogmaals “WATTE?!” riep. ‘t Kwam niet over. Ik veranderde daarom maar de boodschap: “Mar jo komme der wol!” (Eng.: We come there well.) Knoop dat maar tussen je oren! (Fr.: Knoopje dat mar tusken de earen) (Eng.: Button that but between your ears.) (Etc, ensafierder…) ;-) Ja. Vertalen, dat is nog een heel ander vak dan schrijven!

Klomp stuk

maandag, 28 februari - 2011

De studie Vrijetijdskunde was nog maar net opgericht of ik trok als kersverse student blij lachend over de grens van Friesland. De ultieme vrijheidszoeker. We praten over 1997. En aan deze zin ziet u hoe ingeburgerd ik in die veertien jaren ben geraakt. Een Hollander zegt: we spreken over het jaar ‘97.

Hoe het ook zij: ik heb de vrijheid in Friesland gevonden. Verruilde mijn studie na een jaar voor Communicatie en heb daar m’n vak van gemaakt. Terug naar het begin. Ik mocht net stemmen toen. Voor de Tweede Kamer vulde ik heel onnozel een vakje in bij de VVD. Daar hielp ik mijzelf als student absoluut niet mee, maar ik kopieerde slechts de stem van mijn ondernemende vader die me had geleerd dat elke stem telt. (Een les die nu meer dan ooit geldt.)

Tegen de tijd dat de provinciale verkiezingen waren, voelde ik me al aardig thuis in het Friese land. Weliswaar verstond ik nog geen woord van wat ze op Omrop Fryslân zeiden en toen een medestudent die in een dronken bui bij me bleef slapen zei: “Och, ik bin sa wurg, ik jou my efkes del” – was ik volledig in de veronderstelling dat ze een del wilde wurgen. (Misschien was ze boos of zo.) In werkelijkheid was ze moe (wurg) en ging ze slapen (deljaan). ‘Zij legde zich neder.’ Mooie taal, dacht ik.

Naast die Friese klanken genoot ik van het weidse landschap en van de cultuur waarbinnen de mensen elkaar nog gewoon gedag zeggen op straat en elkaar respecteren voor wie ze zijn, niet voor wat ze doen.

“Stem jij FNP??!!” Het was notabene een Fries die het riep. Misschien omdat ik ook toen nog altijd mijn kakkineuze rrrjjj uitsprak. Eens import, altijd import. Maar ik had mijn hart verpand aan dit land en dacht; als ik de nationale partij steun, dan weet ik zeker dat de natuur, de taal en de cultuur gespaard en bewaard blijven.

Welnu. Punt van dit verhaal. WIE schetst mijn verbazing in de aanloop naar de provinciale verkiezingen? De FNP die al jaren mijn stem krijgt, SCHROEFT DE VERKIEZINGSBORDEN MET SCHROEVEN VAN DRIE CENTIMETER AAN MOOIE OUDE BOMEN IN DE GEMEENTE. Nu weet ik dat ze hier in Littenseradiel een bijzonder bomenbeleid hebben (namelijk: zagen), dus misschien heeft Annigje precies dìe bomen uitgezocht die toch al plat gaan dit jaar, maar voor een partij die in mijn ogen staat voor respect voor cultuur en natuur in Fryslân, breekt hier mijn klomp. Ja inderdaad. Zo eentje met van die leuke Friese pompeblêdsjes.

Dan kun je dus nog zo’n prachtig partijprogram hebben, een mooie campagne, een gedegen uitstraling… maar met één schroef in een boom straal je ineens iets heel anders uit. Ja. Communicatie. Het blijft een vak.

Ik wens u een fijne stem toe deze week.

Op je plaat

zondag, 9 januari - 2011

Toen ik vorige week een interview hield voor de Moanne, met twee striptekenaars, ben ik ouderwets op m’n plaat gegaan. Niet omdat het glad was, maar omdat ik me niet (he-le-maal) goed had voorbereid. Opdracht was een artikel te schrijven over de tekenaars die in opdracht van Aed Levwerd een verhaal vertolken in een strip.

Ik vroeg me af waar Aed Levwerd vandaan zou komen. Wat een bijzondere naam! Iets Russisch misschien. Ik heb het ook nog een paar keer voor mezelf hardop uitgesproken. “Levwerd”, met een rollende r in plaats van m’n kakkineuze erjj die ik doorgaans bezig. Mooi, dacht ik. “Levwerd.”

Enfin. Ik ging op bezoek bij Charles Guthrie en Richard Bos. Ik vind het nog altijd super dat de Afûk (een stichting die de Friese taal en de belangstelling voor Friesland bevordert), deze import-Fries artikelen laat schrijven voor hun uitgaven. Nadat ik als interviewer en schrijver m’n werk heb gedaan, verruil ik mijn plaats voor de vertaler en ga ik met een oud Fries woordenboekje aan de slag.

Ja, want hoewel ik die Friese taal ontzettend mooi vind, gaat het me nog altijd niet gemakkelijk af. Zo bleek toen ik vorige week werd aangereden door een lieve oude Friese man die niet naar rechts keek. ‘Op’e dyk’ (op straat) probeerden wij met trillende handen de verzekeringspapieren in orde te maken. (Het verbaasde me overigens hoe snel hij die tevoorschijn haalde, alsof meneer vaker met dit bijltje heeft gehakt…)

Ik besloot met al dat gestuntel uiteindelijk te zeggen: “Ik kom moarn wol efkes by jo lâns, dan kinne we it efkes rêstich besjen tegearre.” Dat kwam er nog best soepel uit na de klap. (Dat ik morgen wel even langs zou komen zodat we het in alle rust even samen konden bekijken.) Die morgen zat ik bij het echtpaar in de voorkamer de papieren in te vullen.

Op een gegeven moment zegt de vrouw des huizes: “Och, ik bin al sa bliid dasto net lelyk bist.” Vrij vertaald: “Ik ben al zo blij dat je niet lelijk bent.” Die moest even indalen. Lelijk? Wat heeft dat er nou mee te maken? Het enige wat ik kon bedenken was dat ze blij was dat ik niet invalide was geworden of zo. (Daarmee wil ik niet zeggen dat invaliden lelijk zijn, maar je kunt bijvoorbeeld lelijk vallen, in die trant.) Maar wat blijkt: het betekent boos. Ze was blij dat ik niet boos was. Nuja, zo zit ik eenmaal in elkaar. Geluk bij een ongeluk.

Terug naar de Moanne. M’n interview. Ik wist precies wie de striptekenaars waren, waar ze vandaan kwamen en had hun websites goed bekeken. Wat ik niet had bekeken was de site van Aed Levwerd. Domdomdom. Want toen ik vroeg: “Werken jullie vaker met Aed?”,  zag ik twee paar wenkbrauwen omhoog schieten. “Aed?” “Ja,” zeg ik, “Aed Levwerd!” En ik sprak het uit met mijn mooist geproduceerde rollende rrr ooit. Het leek net echt Russisch.

Aed is echter echt Fries. Voor oud. En Levwerd betekent Leeuwarden. Het is de Leeuwarder Historische Vereniging. OEPS. Het is hoog tijd voor een Friese opfris-cursus. Dit keer heb ik mijn vriendin Nynke het artikel maar laten vertalen… ik ben sinds de aanrijding een beetje in de war. Maar geen zorgen: ik ben nog altijd geen lelijk famke!

Lelijke taal

maandag, 6 september - 2010

De liefde voor de Friese taal stroomt niet iedereen door de aderen. Dat merkte ik vorig weekend toen ik een vriendin op Terschelling bezocht. Mooi moment was toen wij elkaar voor het eerst ontmoetten. De basis van onze vriendschap lag bij onze roots: beiden geboren in Alkmaar en getogen in Heiloo, Noord-Holland. (En nee: dat hoort niet bij West-Friesland.)

Je hoort het als ze praat (die zang is mij nooit eigen geworden omdat ik voor mijn tienerjaren alweer verhuisde naar het midden van het land. Daar kweken ze een rrjjj, een stuk minder romantisch dan de zangerige stemmen uit Noord-Holland), dat zij een groot deel van haar leven daar doorbracht. In één woord kan ze al een aria leggen (iets over de top deze zin, maar het verbeeldt de heimwee die ik daarbij voel.)

Waar ik zeg “Wat gaan we morjchen doen?”, zegt zij: “Hey liefie, zeg ‘t ’s; wat gaan we morrugun doehoen?” Met in elk woord drie verschillende toonhoogtes. Misschien klinkt het in uw oren al lezend wat zeikerig nu, maar geloof me: in het echt klinkt het heerlijk. Welnu. Wij zaten op een terrasje, horen we plots: “No, dan kist volle better nei dy oare tent ta gjin, want dit is gewoan bagger.”

Toegegeven, het was ook niet de mooiste Friese zin, en vooral die laatste twee woorden kwamen er wat knauwend uit, maar ik zag Esthers gezicht. Het sprak boekdelen: ‘Dat is toch geen taal man!’ Ze fronste. Ze verstond de Friese mannen natuurlijk ook niet. Dan hoor je alleen maar wat klanken, die door deze boerenjongens niet al te lieflijk werden uitgesproken. “Weet je?”, zei ze, “Ik kan daar zo op afknappen, op die Friese taal. Ik vind het echt lelijk.”

Waarom klinkt de ene zin als muziek in de oren en de andere alsof de plaat verkeerd om wordt gedraaid? Volgens mij schuilt het hem in het niet kennen van die taal. Ik groeide op tussen Groningse grootouders en vind dat dialect mooi. De Friese taal maakte ik me hier eigen en nu ik het ken, vind ik het prachtig. Ik hoor wel de verschillen tussen mooi Fries en minder mooi. En deze mannen waren niet het boegbeeld van de Friese taal. Ik zal volgende keer aan Esther dit vragen: “Leave, wat gean we moarn dwaan tegearre?” Ik zweer dat ze dan om is, want dat klinkt als een merel die ’s ochtends zijn eerste lied zingt!

- – - -
Deze blog is ook te lezen op: www.hallofryslan.nl

Taal enzo…

zondag, 1 augustus - 2010

Met gepaste trots presenteer ik… bla bla bla. Zo hoor je dat te zeggen. Tot dat bla-gedeelte. Wij Hollanders mogen niet vet lekker supertrots zijn. Zie hier de uitzondering op de regel: ik ben dat dus wel. Afgelopen week vond ik het magazine de Moanne in mijn bus. Dat was m’n eerste schrijfklus toen ik in april begon. Gelijk maar in het Fries. Mooie vuurdoop.

Eerlijkheid gebiedt me te zeggen: zo gemakkelijk ging het me niet af, dat Fries schrijven. Ik ben bezig me de taal eigen te maken, maar dat is nog niet helemaal gelukt. Mijn buorren (buren) merken dat dagelijks. De Afûk (uitgever) merkt dat standaard wanneer iemand me belt voor een opdracht. Als ik opneem met mijn Gooische rj (“Met Marieke Vinckerjjjs”), vragen ze waarschijnlijk niet voor niets: “Kan ik tegen jou nou Fries praten?” “Jawis! Dat kin wol.”

Mijn Friese vriendin Nynke kijkt gelukkig standaard mijn teksten na als ik twee uur bezig ben geweest met het vertalen van mijn werk. Want dat is het: ik denk nog niet Fries, zoals je dat bijvoorbeeld met Engels wel kunt. Ervaring zal het leren. En, door schade en schande wordt men wijzer.

Dat laatste werd ik dit weekend. We gingen naar Oldeberkoop, in de Stellingwerven (Zuidoost-Friesland). Een kunstevenement bracht ons daar. Heerlijk genoeg kwamen we vrienden tegen en belandden we na een boswandeling vol exposities al gauw op het terras. Bier en kunst gaan prima samen. De klok sloeg plots kwart voor vijf en ik snelde naar de plaatselijke super om nog wat avondeten in te slaan.

Blij kwam ik terug op het terras. “Dat biertje doet wonderen! Ik sprak ineens vloeiend Fries!” Yes, met een prettige trots meldde ik dit feit. Mijn liefde keek me glimlachend aan. “Mariek, in de Stellingwerven spreken ze geen Fries.” (…) Sterker, zo blijkt, ze distantiëren zich vol overgave van de Friese cultuur. Daar wist deze import-Fries niks van. Dus ik vroeg: “Mei ik noch wol eefkes nei binnen ta? Ik wyt dat jo aanst slúte, mar we hawwe niks yn hûs hear!”

De nekharen zullen recht overeind hebben gestaan bij die Stellingwerfse. Maar ik voelde me gesterkt door mijn eerste uitgave in de Moanne. Vet lekker supertrots. Grutsk, zeggen ze hier. Mooie taal, dat Frysk!

Mozaïek van mensen

zondag, 4 juli - 2010

“Kinst noch wol in ynterview dwaan foar De Moanne?” Of ik nog een interview kon doen voor De Moanne (cultureel Fries opinieblad). “Jawis!”, antwoordde ik. (Zeker wel!) Het werd mijn cadeautje van de week. Ik mocht regisseur Jos van Kan interviewen over het theaterstuk Down South. (U ziet hier aardig wat links, maar ze zijn allemaal de moeite waard!)

Ik reed naar Wirdum, waar zes acteurs aan het repeteren waren bij een boerderij. De stal werd schoongemaakt door de boer denk ik, want terwijl ik naar een prachtig tafereel keek, hoorde ik op de achtergrond het geluid van een hogedrukspuit. Het leek niemand te deren. De acteurs zaten in hun verhaal. Het was dik dertig graden en ik kreeg een glimp te zien van het theaterstuk van Tryater (dit is de laatste link, beloof ik), dat in september aan de rand van Leeuwarden wordt uitgevoerd.

Tijdens de lunchpauze zat ik tegenover de regisseur. Mijn blocnote op een baal hooi gelegd en ik schreef met hem mee. Over hoe het is voor een Brabander om in Friesland te werken. Over het verschil tussen theater op locatie (buiten) en de opera’s die hij ook regisseert. Van Kan werkt over de hele wereld en is nu voor drie jaar geland in de Friese klei. “Waarom zeg je ‘ja’ tegen zo’n stuk?”, vroeg ik hem. “Ik moet het gevoel hebben dat wat ik maak mijn hart raakt. Een theaterstuk waarin alleen maar zwaarte zit en geen troost biedt, daar kan ik niks mee. Het moet ook humor hebben en dat zit in Down South. Het is een mozaïek van mensen in ontwikkeling…”

Een mozaïek van mensen in ontwikkeling. Mijn vulpen heeft het op papier vastgelegd en ik lees het telkens nog even na. Wie zegt nu zoiets moois? Ik heb veel te veel gevraagd, bleek later. Van Kan zal slechts een fractie van ons gesprek terugvinden in het artikel. Ja ik weet ‘t, interviewen blijft een kunst. Maar echte kunst, zit ‘m soms vooral in het interview.

Import-Fries in Amsterdam

zaterdag, 19 juni - 2010

Op station Amsterdam Sloterdijk stap ik uit voor een interview voor de FOPPE. Over de Afsluitdijk had ik die ochtend vanuit de bus een prachtig strakke horizon gezien. Het gekrijs van de meeuwen die ik over het water zag scheren, hoorde ik in gedachten. ’t Is maar een klein stukje van Friesland naar Amsterdam, al lijkt het voor westerlingen vaak ver.

Op Sloterdijk stapt een grote zwarte man op me af. Hij oogt als een zwerver, met de witte zweetband die hij om z’n hoofd heeft en de grote zonnebril die scheef staat. “Wueet jij wuaar de balástingsdienst sit meebie?” Ik lach en verontschuldig: “Sorry, ik kom uit Friesland, ik ken deze buurt niet.” De grote man lacht zijn tanden bloot. “Agoeie!”, roept hij (dat is Fries voor: hallo!), “Hoe giet ’t my dy?”

M’n klomp breekt. Hij vraagt in het Fries hoe ’t met me gaat. Ik sta in de troosteloze kaalheid van station Amsterdam Sloterdijk waar ik net heb besloten dat ik blij ben als ik straks terug ben in het Noorden, staat die grote grijns tegenover me Fries te praten. “Goed!”, zeg ik en loop even later met dezelfde grote grijns naar de Bos en Lommerweg voor mijn interview.

We hebben afgesproken in Bagles & Beans, gerund door Wibbegje. En ja, u raadt het al, die komt uit Friesland. Na een mooi gesprek loop ik even naar Wibbegje en kan het niet laten ‘efkes te freegjen hoe’t yn’e grutte stêd befalt.’ Het bevalt haar goed in de grote stad. Waar ik als West-Fries (yes, geboren in Noord-Holland) volledig gedesoriënteerd raak in Amsterdam, me liefst zo snel mogelijk weer naar die Afsluitdijk begeef, zijn er dus ook mensen die het andersom doen.

En weet je wat ik nou zo mooi vind? Dat die taal blijft bestaan. Dat die taal mensen verbindt. Laat iedereen het maar bekrompen, afstandelijk of gek vinden. De Friese cultuur, die altijd samengaat met een vriendelijke groet op straat, past overal.

Deze blog is ook te lezen op: www.hallofryslan.nl