“Als je niet op het Friese woord kunt komen, dan moet je het gewoon in het Nederlands zeggen ~ en ~ vooral: doorpraten.” Dat is wat ik van mijn lief leerde, toen ik vaak nog stotterend Fries sprak. Zodra ik één woord verkeerd zei (en dat eigenlijk zelf ook wel hoorde), dan begon ik te stuntelen en te hakkelen en dan kwam geen enkel woord er meer soepel uit. Credo sindsdien: doorpraten. Doorgaan. Vooral doorgaan.
Nog altijd zie ik soms wenkbrauwen omhoog schieten en dan weet ik: oeps. Dat klopte niet. Mijn Amerikaanse (schoon)zusje dat sinds jaar en dag in Nederland woont, verhaspelt ook nog wel eens een woordje ~ en ik kan niet ontkennen dat zoiets vaak best vermakelijk is ~ for instance: “Ga ik op reis zonder m’n OV-chipkaart, kom ik daar pas bij de bushalte achter. Nou, daar sta je dan voor Jan met de korte lul.”
De Friese taal is een rijke taal. Voor één Nederlands woord zijn vaak meerdere Friese vertalingen. De lastigheid zit ‘m erin de juiste te pakken. Toen ik een keer tegen de buurvrouw van mijn lief zei dat ik een tijdje weg was geweest, zag ik aan haar wenkbrauwen (en glimlach) dat daar iets misging. Ik zei: “Ik bin in skoft wei west.” Maar ‘wei wêze’ (weg zijn) betekent: bewusteloos zijn, of zelfs: de pijp uit zijn. Terwijl ik toch echt in levende lijve tegenover haar stond te vertellen dat ik een weekje naar het eiland was geweest. (Ik had ‘fuort’ moeten gebruiken.)
Nu was ik afgelopen vrijdag samen met m’n collegavriendin Nynke bij de Afûk (de stichting die de Friese taal en de belangstelling voor Friesland bevordert) om te praten over onze mogelijke toetreding tot de redactie van de Moanne (een Fries cultureel opinieblad). Prachtig magazine. Ik schrijf voor de Moanne, maar nog mooier is het natuurlijk om in de redactie te zitten. Dat betekent echter WEL: Fries spreken. En aan de wenkbrauwen van mijn gesprekspartners te zien, spreek ik nog altijd geen ABF; algemeen beschaafd Fries!
Oei, en ik kan u melden: dan word je zenuwachtig. Als je ineens met de Friese heren om tafel moet. Ik had echter het aloude credo in mijn achterhoofd: gewoon doorpraten, vooral doorgaan. Dus om het ijs te breken begon ik direct maar over koetjes en kalfjes (‘ik hie ‘t wat oer kij en keal’, ik weet niet of je dat in het Fries ook zo zegt), en vertelde dat ik met de trein was gegaan. “Ik gong mei de TRIEN.”
De trien? De boerentrien? (Misschien was ik met m’n buurvrouw mee gereden…) Ik hoorde het mijzelf zeggen en ik dacht: oeps. Dat klopt niet. Trein is gewoon trein. Maar er gingen geen wenkbrauwen omhoog. Waar kwam dat door? Het feit dat ik het probeer? Ik dank jullie zeer, maar leave Ernst, Sito en Nynke: als ik tijdens onze eerste redactievergadering in mei weer zo’n flater sla, lach alsjeblieft gewoon hardop en zeg me dat TRIEN toch echt iets anders betekent. Hoe dan ook dank, dat jullie met de import-Fries willen samenwerken! Ik fyn it moai! Oant gau!








